De bestudeerde bron is een ambtelijke schepenakte, opgemaakt op 24 april 1679 door de gezworen secretaris Dewale van de schepenbank van de heerlijkheid Neerlanden, in het kwartier van Tienen (1). De akte werd ondertekend door meier Huybrecht Dunion en de schepenen Goordt Libens en Willem Beirghens. Zij is opgesteld in het 17de-eeuwse Brabants ambtelijke Nederlands, en vertoont alle kenmerken van een formele gerechtelijke verklaring (attestatie), zoals beschreven voor dorpsbesturen en schepenbanken in Brabant. Omdat de akte expliciet is opgesteld op verzoek van pachter Aerdt Jadouls ten gunste van diens klacht tegenover de abdij van Park (de heer), heeft zij een duidelijk functioneel en partijdig karakter: het is een bewijsdocument, geen neutrale kroniek. Toch blijft de bron relatief betrouwbaar, gezien de officiële status van de schepenbank en het feit dat schadeverklaringen typisch gecontroleerd werden via visitaties en lokale kennis.
Bron afbeelding: Louis XIV dans la tranchée au siège de Tournai le 21 juin 1667 - Photo (C) RMN-Grand Palais (Château de Versailles) / Gérard Blot - MV2140
Bron afbeelding: Louis XIV dans la tranchée au siège de Tournai le 21 juin 1667 - Photo (C) RMN-Grand Palais (Château de Versailles) / Gérard Blot - MV2140
De winter van 1739–1740 trof grote delen van West-Europa met een uitzonderlijke vorstperiode, met diepe gevolgen voor landbouw en voedselvoorziening. In rurale gebieden, zoals de Meierij van de Gete, leidde uitwintering van granen tot dramatische opbrengstverliezen en sociaaleconomische druk op pachters. De schepenbank van Neerlanden, bijgestaan door de pastoor, stelde op 1 juli 1740 een visitatieakte op waarin de mislukking van tarwe, wintergerst en andere wintergranen officieel werd vastgesteld. Deze bijdrage analyseert de akte als casestudy van een juridisch instrument dat lokale veerkracht bood in de nasleep van een klimaatramp. De casus toont hoe lokale instellingen een buffer vormden tussen economische verplichtingen en humanitaire nood.
In 1746–1747 ontstond tussen Neerlanden en Neerhespen een conflict over een dorpsgrens die eeuwenlang vanzelfsprekend leek. Het ging niet om wie de akkers bewerkte, maar om wie het recht had belastingen te innen en recht te spreken. De Soevereine Raad van Brabant in Brussel besliste dat beide dorpen de grens opnieuw zouden vastleggen in het landschap, met paalstenen en herkenningspunten. Zo kreeg Neerlanden voorlopig het voordeel. De Abdij van Sint-Geertrui verzette zich echter tegen mogelijk verlies van inkomen en macht. Dit lokale geschil toont hoe grenzen in onze streek ooit onderhandelbaar, betwist en vooral politiek waren.
Deze bijdrage focust op J.F. Fernand Van Oorlé, een weerstander/verzetsstrijder en hoofd van de Intelligence Service ‘Ligne Jean’ afkomstig uit Walshoutem, die zijn activiteiten met de dood heeft moeten bekopen in de Duitse strafgevangenis van Wolfenbüttel in Niedersaksen op ongeveer 600 km van Landen.
In het ancien régime is het grondgebied van Brabant onderverdeeld in zes grote ressorten of hoofdmeierijen: meierij Leuven, ammanie Brussel, marktgraafschap Antwerpen, meierij Tienen, meierij ’s Hertoghenbosch en het baljuwschap Nijvel. Elke hoofdmeierij is samengesteld uit een aantal districten die meestal bekend zijn onder de naam meierijen. Het kwartier of hoofdmeierij Tienen groepeert de meierijen Halen, Gete en Kumtich.